AERDENHOUT, zondag XIII na Trinitatis, 2/9/2007. Tekst: I Samuël 16, 1-13

De situatie in Israël is een tragische. Wat is het geval? Er is een onverschrokken en moedig koning, Saul, die vele overwinningen heeft behaald op de aartsvijanden van Israël, de Filistijnen. Het is een man die werkelijk een goed vorst is. Ondanks al zijn kwaliteiten heeft God  niettemin besloten zijn handen van Saul af te trekken. Dwz God heeft besloten dat hij niet langer koning zal zijn, maar dat er een ander zal komen. Waarom? Wat is de reden dat God een nobel en dapper man verwerpt? Wel, de officiële reden is simpel. Saul is ooit aan een veldslag begonnen zonder, naar Gods bevel, de priester af te wachten die het offer moest brengen voor de goede afloop. Hij had dat zelf gedaan. De priester (Samuël!) was immers een week te laat en de manschappen begonnen te morren. Saul raakte vanaf dat moment vermorzeld tussen de wens van de manschappen en het bevel van God. Hij wilde evenwel de kool en de geit sparen en koos dus voor het compromis: zelf offeren. Wel een offer brengen, maar niet op de priester wachten die het moet verrichten. Hij werd ahw geplet tussen hamer en aambeeld van de wens van de mensen en de wens van God, tussen de vox populi en de vox dei.

   Dat is de tragiek van deze koning, de tragiek tevens van vele mensen. Je wilt best luisteren naar God, maar er zijn andere stemmen. Je wilt best kiezen voor je hart en overtuiging, maar het verstand heeft ook zijn recht. Dus kies je het compromis en zeg je dat dat uiteindelijk een kwestie van wijsheid is, van ouder worden. Wie jong is, gaat voor het hart; wie ouder voor het verstand. Dat is daarentegen niet de opvatting van God. Die verwijt Saul dat hij gekozen heeft uit angst. Hij is geplet tussen de angst voor het volk en de angst voor God. Maar kiezen voor God, geloven, heeft niets met angst te maken. Dus exit Saul. Waarmee God tevens aangeeft dat het niet om werkelijke tragiek gaat (dat is een keuze tussen twee kwaden), maar dat er sprake is van angst. God, zo zegt Hij ahw, woont niet in angst, en een mens behoort niet te kiezen uit angst, dan wel angst te bezweren met een compromis. Geloof en liefde zijn anders. Dat is het eerste, het verwerpen van de angst (en dus van Saul) als het gaat om geloof en liefde.

 

Zo wordt Samuël er dus op uit gestuurd om een nieuwe koning te zalven die God gekozen uit het gezin van Isaï te Bethlehem. Maar ook Samuël is de rivier van de angst nog niet overgestoken. Want stel je voor dat Saul hem op het spoor komt. Dan is hij nog niet jarig! Waarop God hem een goede smoes aan de hand doet: zeg maar dat je komt offeren. Nooit gedacht, God die een leugentje om bestwil goed praat. Samuël komt aan te Bethlehem, waar men eveneens angstig is, want is de komst van de profeet nu een goed of slecht voorteken? Geen zorgen, zegt Samuël, ik kom om te offeren. Ik nodig jullie er dan ook graag voor uit. En by the way, vraag ook de familie van Isaï. Zo zijn mensen. Ze gaan niet dóór de angst heeen, maar er omheen. Ze bezweren de angst met compromissen en leugens. Zelfs God doet mee in dat spel. Bij deze herhaling van de angst (bij Saul, Samuël en de oudsten van Bethlehem), moeten we dus weten wat de angst theologisch is? Waarom benaderen we God met angst en hoe zou het anders kunnen? Hoe kiest God? Hoe wordt Hij meer dan een valse veiligheid?

   Samuël begint de reinigingsrite en voltrekt die zelf aan de familie van Isaï. Hij ziet het dadelijk. De oudste zoon van Isaï is een forse kerel met goede uitstraling. Een beetje het type van Saul en dat is toch ongetwijfeld wat God zoekt. Waarna er van Godswege schitterende woorden volgen: niet deze oudste zoon, niet hij; want een mens kijkt naar het uiterlijk, God naar het hart. Dat lijkt op een simpele tegenstelling: mensen vallen voor het uiterlijk, maar God ziet gelukkig verder. Ach als het zo eenvoudig is, dan kunnen wij dat zelf ook nog wel bedenken. Want echt, een mens vaart niet altijd op het uiterlijk; hij kiest wel degelijk anders. Het ligt dan ook iets complexer. Er staat letterlijk: een mens kijkt naar de ogen, God naar het hart. Dus een mens kijkt een mens naar de ogen. Dat wil zeggen, wij vleien, wij kiezen woorden die bij een ander passen, die hem flatterende kleren aantrekken en doen krullen van plezier. Wij passen ons aan aan de ander. Dus de angst voor de ander maakt dat wij onszelf ontkennen. Maar niet alleen onszelf ontkennen we, ook de ander! Door de ander naar de ogen te zien, onthouden wij hem wie wij werkelijk zijn en ontkennen de ander dus ook. Want hij krijgt nooit zicht op de echte mens naast hem. Dat is de grond van de angst in theologisch opzicht: wij ontkennen God. Anders gezegd, er is geen God! Alleen de God die voor wie we zo bang zijn dat Hij nooit zal weten wie wij echt zijn.

   Zie de moderne maatschappij waar de ontkenning van god hoogtij viert. Ofwel men is zo bang voor God dat men niets meer met de kerk te maken wil hebben. Ofwel men is zo bang voor Hem dat men zich in strikte gehoorzaamheid voegt naar alle zgn. goddelijke regels. Een systeem à la de Islam. Beiden berusten op ontkenning. In het ene geval wordt God buiten het leven gezet, in het andere zo naar de ogen gekeken dat Hij ook wordt ontkend want we vertellen Hem niet wie wij werkelijk zijn. Dat is het grote gat in onze cultuur waar eigenlijk een hart hoort te zitten. Wij zijn leeg en durven niet opnieuw God te zoeken. We leven in en als een gesloten kring: ofwel wij zijn blij van God af te zijn, ofwel we gehoorzamen als slaven. Maar het gesloten leven is ook een leegte. En juist die leegte benoemt God: ik kijk naar het hart. Daar waar onze cultuur een gat heeft en wij alleen nog maar kunnen ontkennen of gehoorzamen, daar zegt God: kijk eens naar die leegte, durf die eens te ontdekken, want waar is je hart? Bestaat het nog? Heeft onze cultuur, heeft jouw leven, nog een ziel, een hart? Is de geslotenheid, de tevredenheid met wie wij zijn, zo groot dat we eigenlijk niet meer weten of we nog een hart hebben? Hoe komt het dat ons immens rijke maatschappij tegelijkertijd zo arm is? En die maatschappij, dat zijn wij zelf; we kunnen niet altijd naar anderen wijzen. Ook de kerk is arm en kijkt niet naar de eigen leegte. Ook wij zijn natuurlijk een beeld van de maatschappij waarin we leven.

 

Maar ooit, zegt God, leefde er in mij een leegte als verwachting, vermoeden en liefde. Ik heb de mens naar mijn beeld en gelijkenis geschapen. Uit liefde voor een niet-bestaand, wel gewenst, leven. Zoals een mens een ander mens verwekt zonder dat hij die toekomstige mens kent. Maar hij heeft hem al lief voordat de eerste hartkloppingen bestaan. Die kracht - leegte zien als visioen, verwachting, scheppingskracht en liefde - dát is God. Hij is het vermogen te zien voordat er iets zichtbaar is, te kiezen en lief te hebben voordat iemand bestaat. Zich over te geven voordat er armen zijn. Zo leeft God met de mens. Je zou, op licht paradoxale wijze, kunnen zeggen dat God niet bestaat omdat Hij leegte is. Maar als die leegte een ander woord is voor visioen, verwachting, liefde, vooruitzicht en nabijheid vóórdat er om gevraagd wordt, dan is God het grootste geschenk in dit leven. Dat is het geheim van de geboorte van een mensenkind. Dát moment van geboorte, van nieuw leven, stelt elke keer de vraag naar God. Is het niet zo dat leegte ook verwachting kan zijn? En als zo is, wat is dan die grote kracht die zich doet gelden in het ontstaan van het leven? Niet slechts het ontstaan van het fysieke leven, maar het gewone leven dat wij dag in dag uit leven. Want helaas, wij ontkennen het liefst die leegte en sluiten ons bestaan in een tevreden gesnor. Waarna we dus uiteindelijk ook niet meer weten hoe we de laatste leegte, de dood, moeten duiden. We hebben dan nooit geleerd dat ook die leegte verwachting is, we hebben dan nooit ervaren dat God bestaat, zelfs in de dodelijke leegte. Daarom is het feest als een kind gedoopt wordt, want de grootste vragen van het leven worden dan meteen verbonden met het bestaan van God. Liefde wordt meteen geduid als de voornaamste kracht in het leven zonder dat de leegte ontkend wordt. Nee, die wordt geduid als verwachting, visioen, hoop, overgave en creativiteit. Bij de doop zakt een kind niet weg in de leegte van het water, maar het loopt er overheen. Een kind van God is het, een kind als Jezus. Zo gaat een kind het leven  in, met de wind van de Geest in de zeilen.

 

 

M.A. Smalbrugge: les-passerelles@planet.nl