AERDENHOUT, Pasen 8/4/2007. Tekst: Johannes 20, 1-18.

Maria van Magdala is de laatste jaren een grote romanfiguur geworden en na de Da Vinci Code hebben veel mensen de neiging haar minstens als Jezus’ vriendin te zien. Eventueel aangevuld met nog een kind dat uit deze liefde zou zijn geboren. Het vervolg van de lovestory zou dan zijn dat Jezus helemaal niet gestorven is aan een kruis, maar zich ergens met Maria van Magdala heeft teruggetrokken en daar nog lang en gelukkig met haar leefde. Gelooft u het niet? Jammer, want u kunt ook niet bewijzen dat het niet zo is! Zeggen althans de romantici. Nee, dat klopt. En, gaan ze dan verder, de kerk heeft toch willens en wetens heel veel andere evangeliën, waar vrouwen en Maria van Magdala wel belangrijk waren, bewust afgewezen en vernietigd? Ja, ook dat klopt. Waarna tenslotte de triomfantelijke vraag volgt of dat niet heel schokkend is en of je dan niet het hele geloof moet bijstellen? Versta, moet je dan niet de kerk opdoeken? Want blijkbaar heeft de kerk het op essentiële punten - als de opstanding, als het beeld van Jezus - bij het verkeerde eind. Wij, de kerk, wij zijn gevangen in een hard verhaal van lijden en opstanding. Ruil dat toch in voor de blij-romantisch pasmunt van een Jezus die gelukkig leefde met Maria! Dat beeld zou mensen veel meer aanspreken en zou geloof ook weer aantrekkelijk maken voor de moderne mens.
   Het zou kunnen. Maar wat leert de geschiedenis van een Jezus die gelukkig leefde met Maria van Magdala ons? Misschien niet meer dan dat wij bang zijn voor de dood en dat we ongeneeslijke romantici zijn. Maar dan durven we niet achter de angst en romantiek te kijken. Terwijl echte troost en vreugde misschien meer te maken heeft met verder kijken dan een bouquetreeksroman.

Op zondagochtend komt Maria van Magdala bij het graf, ziet dat steen weggerold en dat het lichaam van Jezus is verdwenen. In paniek rent ze weg om aan Petrus en Johannes te zeggen dat ze niet weet waar het lichaam van Jezus is. Die rennen op hun beurt naar het graf, zien dat het zo is, maar weten niet dat Jezus volgens de Schriften moet opstaan. Ze keren terug en laten Maria alleen achter, die in het graf twee mannen ziet en op vraag waarom zij huilt, zegt dat ze niet weet waar Jezus naar toe is gebracht. Tenslotte ziet ze Jezus, maar ze weet niet dat hij het is. Het hele verhaal staat in het teken van het niet-weten (4x in het Grieks; de vss 2,9,13,14), het tasten in het duister.
   Nu is niet-weten meestal niet erg. Wellicht zijn er in het Chinees 100 woorden voor draak, dat weet ik niet en dat is niet erg. Zo zijn er duizenden feiten die je niet weet, maar dat stoort niet want je hebt er geen band mee. Het is een niet- weten dat een zeker gemak en een bepaalde selectie inhoudt. Je wilt niet alles weten, want je wilt je concentreren. Dat wordt daarentegen al anders als je zoekt naar de naam van een bekende, maar er niet op kunt komen, het niet weet. Dan heb je het gevoel de weg in jezelf kwijt te zijn: word ik oud, takel ik af, ben ik mezelf nog? Of je kijkt naar een film en je geliefde vraagt wat je er van vond, wat je ervoer, wat je voelde en je zegt ‘wel aardig’. Maar eigenlijk weet je het niet. Hoe kan dat? De beelden en emoties stromen van het doek af en jij weet niet wat je voelt! In welk labyrint leef je? Dat is het niet-weten van de wanhoop omdat je je niet kunt openstellen en overgeven. Je hart fungeert niet meer als je kompas. Het is een soort innerlijke afsluiting waardoor je onbereikbaar wordt. Ook voor je zelf en daarom word je ahw door jezelf gedwongen te zeggen ‘ik weet het niet’. Ik weet niet waarom ik dit doe, waarom ik geen richting kan bepalen.
   Dat is iets dat Maria van Magdala ook ervaart, maar bij haar is het erger. Haar hart tolt rond als een dolgedraaid kompas. Zij heeft Jezus vertrouwd, ze heeft geleefd met een mens naast haar die God in zich droeg, die God overdroeg aan mensen. Dat was zijn talent. Maar hij is dood gegaan en hij heeft het op geen enkele moment vermeden. Alsof zijn talent plotseling een exclusief spel tussen God en hem werd, waarbij zijn dierbaren alleen nog maar konden toekijken maar niets meer konden beïnvloeden. Hij stierf dus. Maar stierf ook in Maria van Magdala! Ze wist niet meer wie hij was. Waarom had hij zijn talent niet ingezet om te blijven leven, om mensen lief te hebben? Waarom had hij niet gekozen voor het Da Vinci Code-scenario? Ze weet het niet en is haar geloof, vertrouwen en liefde kwijt. Want het leven lijkt haar een kwestie van puur toeval. Er is geen macht die boven het toeval uitgaat. Geen liefde en geloof. Wezenlijk is er dus geen genade in dit leven. Genade als de duurzame band met een ander en met onszelf die de desintegratie van het leven stopt. Zo ongeveer als licht dat door een donker heelal schiet en dus van elders moet komen dan uit dat donkere heelal zelf: dat van God moet komen. Nee, dat is er allemaal niet; het toeval heerst. En inderdaad is een lichamelijke dood erg, maar je geloof in iemand kwijtraken is erger. Dus ook het geloof in jezelf. Je weet immers niet meer wat je in dit leven doet: gewoon maar uitzingen totdat het een keer ophoudt? Het kompas van haar hart tolt rond. Alle kennis, die au fond liefde is, lijkt verloren. Het niet-weten is een groot meer van tranen en vergetelheid.

   Dat is wat ons allemaal overkomt en daarom is er een lijdensverhaal, geen Da Vinci Code. Een lijdensverhaal totdat we aankomen bij het laatste niet-weten. Maria van Magdala ziet Jezus, maar ze weet niet dat hij het is. Bij zulk verlies is herkenning niet mogelijk. Er bestaat nu eenmaal geen terugkeer van het verleden. Waarop hij vraagt ‘wie zoek je’? Een ongelooflijk confronterende vraag. Wij kunnen niet eens antwoord geven op de vraag ‘wat wil je’ (geen flauw idee), ‘wat zoek je’? (zou het niet weten). Laat staan dat we een antwoord kunnen geven op de vraag ‘wie zoek je’? Dat weten we pas als we hem/haar gevonden hebben: de man of vrouw die je lief hebt. Tenzij… je zoudt zeggen, vóórdat je hem gevonden hebt: ik zoek God. Hem hoef je niet gevonden te hebben om hem al te noemen, om hem te zoeken.
   Maria is wat dat betreft halverwege: zij zoekt de man wiens grootste talent God was. Maar juist in hem heeft ze alles verloren aan geloof, liefde en vertrouwen. Niettemin blijft ze zoeken naar een verloren verleden. Waarop Jezus alleen maar zegt: Maria. En dan is het niet zo dat Maria Jezus herkent en terugvindt, maar dat zij gevonden wordt. Zij wordt gevonden door degene die ze verloren heeft, maar die een ander is geworden. Die is opgestaan uit een dood verleden. Maar als het zo is dat zij gevonden wordt, temidden van dat grote niet-weten, dan werd zij dus ook gezocht. Dan kan het zijn dat Jezus, wiens grootste talent God was, sterft aan het kruis en zich uiteindelijk verlaten voelde door die God die hij in zich droeg. Dat hij het dus niet meer wist. Maar dat God hém zocht en dat hij gevonden werd. En als hij gevonden wordt, dan is dat zoveel als een nieuw leven krijgen, als opstaan uit de dood. Zo vond Jezus op zijn beurt Maria terug en vindt zij weer de discipelen terug. En de discipelen vinden de mensen terug en zo gaat de geschiedenis van de opstanding al 2000 jaar over aarde. Niet voor niets zegt Maria, als zij alleen bij het graf is geweest: wij (meervoud; terwijl ze alleen bij het graf was) weten niet waar ze Jezus hebben neergelegd. Wij, dat zijn wij allen. Want in elk leven verliezen we op essentiële momenten degene die ons na staat in geloof en liefde. We verliezen God en we weten het soms niet meer. Maar God zoekt ons weer op en roept ons bij name. In liefde, in trouw. Zaken die wij niet altijd overeind kunnen houden, reden waarom wij herschepping nodig hebben. Opstanding is daarom, in navolging van Jezus, nieuw leven aangereikt krijgen. Christus is waarlijk opgestaan.

M.A. Smalbrugge: les-passerelles@planet.nl