AERDENHOUT, Zondag XIV na Trinitatis, 9/9/2007, Heilig Avondmaal

David bevindt zich in benarde en gevaarlijke omstandigheden. Koning Saul ziet hem sinds enige tijd als de grote rivaal -  terecht overigens - die op zijn kroon en troon uit is. Hij tracht daarom David te elimineren en heeft daartoe een reeks diners georganiseerd waar David voor is uitgenodigd. Tijdens die diners hoopt hij hem dan onschadelijk te kunnen maken. Versta te kunnen vermoorden. De opzet mislukt echter en Saul verdenkt zijn zoon Jonathan ervan het geheim aan David te hebben verraden.  Jonathan is blijkbaar op de hand van deze rivaal! Uit felle woede en teleurstelling werpt Saul daarom tijdens het diner een speer naar zijn eigen zoon. Om hem te doden. De boodschap is duidelijk: als Jonathan al moet vrezen, dan is David sowieso zijn leven niet zeker en doet hij er goed aan meteen te vluchten.    Aldus geschiedt en David komt aan in Nob, een plaatsje waar toen tijdelijk een tempel was gebouwd na de tijd van Samuël. Vergeet niet, David was in die tijd een belangrijk man: generaal, hoveling en eerste raadsman van de koning. Een man die overal omringd wordt door anderen en die niet ‘zomaar’ ergens naar toe gaat. Vandaar dat de priester hem verbaasd tegemoet treedt als hij hem in zijn eentje ziet aankomen: waarom is David alleen?

Dat woordje ‘alleen’ raakt aan de pijn van David. Alleen is niet als in het Nederlands in je eentje een geheel vormen: al één. Nee, zo is het niet in het Hebreeuws. Daar  is alleen zoveel als een stuk stof dat van een lap is afgescheurd. Je hoort bij een groter geheel, maar bent er van afgescheurd en je bent niet meer thuis. Zelfs al weet de priester dus niets van de achtergrond van de vlucht, zijn woorden geven aan dat hij voelt dat het bijna gaat om een thuisloze David, een man die een weg gaat waarvan hij niet weet waar die naar toe leidt. Maar die gelukkigerwijs toevallig wel langs de tempel leidt. Waarom dus alleen? David geeft een ontwijkend antwoord: het gaat om een geheime missie, mijn mannen wachten op een afgesproken plek. In het Hebreeuws is ook dat al ontwijkend:‘de een of ander ongenoemde plek’. Maar als die mannen al bestaan (misschien verzint David ze ook), dan kennen ze dus alleen de plek waar ze naar toe moeten, maar niet hun opdracht en doel. Dát weet je misschien pas als je ergens voedsel hebt gehad.    Er zijn dus twee soorten mensen die wachten op voedsel. De eenling die zonder thuis is én de groep mensen die zich ergens bevindt en zich afvraagt waar zij naar toe moet. Wat is het doel van dit alles, wat is de inzet van de oefening? Zo ongeveer als in een kerk: je hebt de mens die alleen is, afgescheurd van de gemeenschap als de lap van een stof. De eenling. Hij zoekt voedsel om te overleven. Hij komt zomaar langs, wil rondkijken, snuffelen en misschien eten. En je hebt een groep mensen die hier afgesproken hebben, maar ook zij willen horen wat het doel en de opdracht van de tocht is? Welnu, de kerk heeft daarop geen pasklaar antwoord. Zoals  ook de priester dat niet heeft en iets zegt in de trant van ‘blijf maar hier, dan komt het wel goed’. Er is geen identiteit, geen antwoord dat a priori aangeeft waar de enkeling van zijn pijn verlost kan worden. En er is ook geen antwoord waar de weg van de gemeenschap naar toe leidt. Alles hangt af van het voedsel dat de priester geeft.

Wat is er voorhanden? Alleen maar gewijd brood, de zgn. toonbroden. Dat zijn 12 broden die in twee stapels van zes liggen op een bijzondere tafel, afgebiesd met goud, die in het heiligdom staat voor het altaar. Die 12 broden symboliseren de 12 stammen en niemand mag er aan komen. God wilde die broden steeds voor ogen hebben als wilde hij altijd het volk voeden. Kan God een mens dan voeden?    Dat moeten we bezien. Een mens die alleen is en die afgescheurd is geraakt van de anderen, ervaart pijn. David is weggescheurd van Jonathan, de vriend die hij liefhad als zichzelf. En hij is afgescheurd van Saul die hij met liefde heeft gediend. Het verlies is groot. Het is de diepe ervaring dat in het leven geen recht bestaat, dat er geen recht aan je gedaan kan worden. Het houdt in dat er geen bodem is waarop je kunt staan, dat de spelregels van het leven onduidelijk zijn. Misschien bestaat er wel zoiets als genade, maar dat is dan niet meer dan mazzel, stom geluk. Daarentegen recht, iemand die jou kent en je tot je recht wil laten komen, nee, dat is er niet. Dát verbeeldt dus de thuisloze David, die ellendige ervaring dat recht afwezig is in het bestaan. Het is de ervaring van de enkeling die, geblutst door het bestaan, zomaar een kerk binnenloopt en zich afvraagt of daar, heel misschien, iets te eten is.     De groep mannen daarentegen heeft een andere ervaring. Zij weten niet wat hun doel of opdracht is en zijn dus doelloos. Je weet dat er ergens een plek op je wacht, dat anderen daar wachten. Dus dat de gemeenschap zoveel zou kunnen zijn als de ruimte die je wordt geschonken. Niet een muur waarbinnen je moet leven, een gesloten gemeenschap. Nee, een verzameling mensen waarbij elk mens afzonderlijk een stuk ruimte verbeeldt dat jou wordt geschonken. Bestaat dat echt, zo’n gemeenschap? Zo ja, welke route leidt er naar toe?    Dat is het dubbele voedsel dat hier wordt gezocht. Het soort voedsel dat David eerstens zoekt, de man die alleen is en die wil weten of er recht is in het bestaan Vervolgens het soort voedsel dat de groep mannen zoekt, de groep die wil weten of je ruimte en bevrijding kunt ervaren of dat de gemeenschap altijd muren zal vormen die je benauwen. Heb je die twee soorten benoemd, dan heb je het meteen over de pijlers van het leven: het gevoel dat je recht gedaan kan worden en dat de gemeenschap ruimte is. Waar vind je dat? Waar is voedsel? En welk voedsel dan?

Er zijn alleen maar toonbroden. Twaalf doodgewone broden. Alleen mensen kunnen die broden eten. Maar ze doen het niet en raken de broden niet aan. God daarentegen is de enige die er recht op heeft, maar ook hij eet hen niet en raakt ze niet aan. Dus het brood wordt niet aangeraakt, noch door een mens noch door God. Waarom niet? Omdat het een geschenk is van jezelf aan een ander. Het is menselijk brood, maar mensen raken het niet aan en geven het aan God. God heeft er recht op, maar ook hij raakt het niet aan en geeft het aan mensen.     Om gevoed te worden moet iemand dus iets van zichzelf geven: aandacht, woord, muziek, tijd, raad en liefde. Dat is de eerste functie van het brood, iemand geeft iets van zichzelf en dat schenkt de eenzame mens diepe troost. Er is geen rechtvaardigheid in het leven, maar wel liefde, aandacht, raad en muziek. Wat een intense troost is. Het brood droogt in die zin je tranen en verbindt je met iemand die blijkbaar iets van zichzelf kan geven. God is daarom eerder nabijheid, troost en warmte dan recht. God is degene die met armen open je opwacht omdat hij als troost en nabijheid kan ervaren worden. Ook hij kan het recht in het leven niet afdwingen. Maar hij kan wel troost schenken. Dat is het geschenk aan David: warmte en nabijheid van God die zichzelf geeft.     Maar de gemeenschap dan? Een gemeenschap kan zichzelf opstellen als muren. Dwz als bewakers van eenheid en identiteit. Maar geven we dan nog iets van onszelf? Laten we dan nog merken in welke mate we zelf zoeken naar vernieuwing en de ander ook echt nodig hebben? Dus geven we ahw onze verlegenheid, onze honger naar echt geloof? Of bewaken we alleen maar onze grenzen? Als we onze honger zouden geven, zouden we dan niet de ander als brood kunnen zien, als degene die ons voedt? Zouden we God niet kunnen zien als verlangen naar de echte mens? De mens die durft lief te hebben, de mens die is als een glazen muur: die weet wie hij is, maar die ook uitzicht biedt op meer dan wie hij is, want hij is niet de ander. De ander moet dankzij hem ander perspectief kunnen zien. Dat is God. Hoog tijd dus om te vragen of we voor de tocht die voor ons ligt niet wat toonbroden kunnen meekrijgen.

M.A. Smalbrugge: les-passerelles@planet.nl