AERDENHOUT, Zondag Rogate, 13/5/2007. Tekst: Johannes 20, 19-31

De ongelovige Thomas is spreekwoordelijk geworden. We spreken dan over een man die niet gevoelig is voor bevlogen verhalen en visioenen, maar die zegt waar het op staat: als iemand uit de dood terugkeert, dan zie ik daar graag bewijzen voor. Een scepticus, zeker, maar wel op het juiste moment. Een man die de geloofservaringen tegen het licht van het verstand wil houden en in die zin onze tijdgenoot is. Terecht is zijn naam dus ‘tweeling’; hij is onze tweeling. Anderzijds is hij ook de man die blijkbaar voor elke stap die hij doet in zijn leven bewijzen nodig heeft. Die niet durft te vertrouwen op zijn intuïtie, op zijn vrienden, maar die eerst 100% zekerheid wil hebben alvorens iets te ondernemen. Een man die elk risico schuwt en die lef en spontaneïteit ontbeert. Dat is niet onze tweeling, dat is de tweeling uit een vroegere tijd, de tijd waarin geloof een kwestie van zekerheden was. Dat zijn de twee kanten van Thomas en eigenlijk weten we niet precies wat we met het verhaal aan moeten. Thomas is daarom vooral de man die de ongemakkelijke vragen stelt. Dat deed hij ook al toen Jezus eerder (in hoofdstuk 14) zei dat hij zou weggaan, maar zijn discipelen zou meenemen. Thomas was toen eerste die vroeg ‘waar gaat u dan naar toe’? Waarop Jezus zei: ik ben de weg, de waarheid en het leven. Blijkbaar is het moment gekomen dat die woorden nadere invulling behoeven. Dus kunnen we Thomas in elk geval niet terugbrengen tot een eenvoudig cliché van een man die op wat lompe wijze het materiële in deze wereld stelt boven het geestelijke. Nee, er is wat anders aan de hand. Ergens is hij onze tweeling. Maar waar?

Na de dood van Jezus hebben de discipelen het bericht gehad dat hij is opgestaan. We stellen ons zo’n bericht voor als een moment van grote vreugde, maar ongetwijfeld heeft de schrik overheerst, zoals blijkt in het evangelie van Marcus. Hoe kan iemand opstaan uit dood? Is hij dan wel een gewoon mens? Is hij niet veeleer een kwade geest? Gaat het niet om een duivelse grap? Dus schrik, angst en twijfel bestaan bij iedereen en in die zin zitten zij achter gesloten deuren. ‘Angst voor de Joden’, zegt J. Zeker, maar ook angst voor het ongehoorde, de muren van de onuitgesproken vragen zijn hoog. Dan plotseling staat Jezus in hun midden en zegt ‘vrede zij met jullie’ en voegt er aan toe ‘aan wie jullie hun zonden vergeven, zijn ze vergeven en aan wie niet, aan hen zijn ze niet vergeven’. Dat kun je lezen als een grote volmacht en zo heeft de kerk het ook altijd gezien. Als een priester/predikant de vergeving uitspreekt, dan geldt dat ook werkelijk en als hij dat niet doet, dan wordt er ook niet vergeven. Maar dat is natuurlijk teveel eer voor het ambt. Wat Jezus bedoelt, is dat er grote vormen lijden aan schuld en zonde zijn en dat de gemeenschap die zijn naam draagt, dat lijden moet kunnen verlichten. Dát is dan ook het thema waarop Thomas voortborduurt als hij zegt dat hij de wonden van Jezus wil zien. Dan wil hij weten of de opstanding ahw het einde van het lijden betekent? Niet van het lichamelijke lijden, maar van het lijden dat veroorzaakt wordt doordat anderen jou iets aandoen. Dus het lijden van wrok en wraak, van de onmogelijkheid tot het vergeven van een ander; kunnen die worden weggenomen? Want waarom zei Jezus ‘wat jullie iemand vergeven, is vergeven’? Toch omdat hij wist dat het heel moeilijk is een ander te vergeven? En niet omdat hij ons een zgn. volmacht wilde geven? Nee, hij wilde ons losmaken van wrok en wraak. Dat zijn de twee brandpunten van het lijden: lijden door eigen schuld enerzijds en het onvermogen schuld aan een ander te vergeven anderzijds. Eindigt dat ooit?
   Schuld is een beladen woord want vaak hebben we het gevoel dat we nu juist weg zijn uit een tijdperk in kerk en geloof waarin ‘schuld’ centraal stond.  Klopt, maar over schuld moet wel gesproken kunnen. Dus wat is het? Schuld lijkt een eenvoudige kwestie van het overtreden van regels en normen overtreden. Je hebt iets gestolen en dan is er dus sprake van schuld. Ja, maar wel van een schuld die kan worden gedelgd. Er is daarentegen ook een lastiger schuld. Je hebt b.v. je kind en vrouw niet gegeven wat hun toekwam, want je moest carrière maken. Je vrouw bleek toen plotseling niet meegegroeid, zei je, en de wegen gingen uit elkaar. En je kind bleek al in late puberteit toen je meer tijd kreeg. Die zat niet echt meer op je te wachten. Vandaar dat al die jonge grootouders zo blij zijn met hun kleinkinderen en met zoveel plezier oppassen, ook al worden misbruikt: ze maken iets goed in hun beleving. Maar in alle eerlijkheid, er was ook geen andere keus. Word eens advocaat anno 2007 bij een groot kantoor en dan zul je toch echt op 80 uur werk per week uitkomen. Werkelijk geen enkele tijd om nog aan vrouw en kind te denken. Het gezin wordt gewoon een goedlopende BV. Niettemin, er is schuld. Zo ook bij de vraag waarom wij op essentiële momenten een andere kant opkijken? Als een vrouw wordt mishandeld in de tram (‘ja maar anders krijg ik een mes tussen mijn ribben’), als de Joden worden weggevoerd (‘ja maar ik heb een gezin dat ik moet onderhouden’). Wellicht is het niet fraai, maar we kijken altijd (uitzonderingen daar gelaten)  een andere kant op. We kijken weg. Of je ontdekt in alle eerlijkheid dat je je hele leven toneel hebt gespeeld en dat je braaf hebt gevonden wat je moest vinden, dat je hebt gehouden van je dierbare zoals je moest houden van je dierbare, maar dat het een rol was die je speelde. En we spelen natuurlijk altijd rollen, maar de ene ligt wel wat dichter bij wie je echt bent. Je bent homo b.v. en netjes getrouwd, maar het bleek een rol. J hoopte dat je bi was en oprecht van je vrouw hield en dat klopt ook wel, maar het was niet genoeg. Je houdt er dus op een gegeven moment mee op en je breekt. Dan heb je toch schuld opgedaan: jegens de ander én jegens jezelf. Hoe moet je dan verder? Je hebt leven lang al geleden onder een geheim, een ander leven, en nu moet je ook nog weer lijden onder een nieuwe schuld? Echt waar? Hoe moet dat dan?

Dus je kunt schuld opdoen omdat het hemd altijd nader is dan de rok en wij altijd het eigenbelang laten prevaleren. Maar je doet ook schuld op omdat je juist dichter bij jezelf uitkomt en daardoor op andere wijze het hemd nader is dan de rok. Anders gezegd, op essentiële momenten in leven doen we vaak schuld op. Bij een grote keuze, zal er, bewust of onbewust, een offer worden gebracht en jij had toevallig het mes in de handen daar aan het altaar. De vraag is dan: kan er vergeven worden en kun jij een ander vergeven?
   Dan moeten we niet doen alsof ‘vergeven’ zoveel is als ‘zand erover; ik zal het je niet meer kwalijk nemen’. Nee, want je neemt iemand altijd iets kwalijk en je zult het waarschijnlijk nooit vergeten. De werkelijke vraag is dus of je er los van kunt komen? Of je los kunt komen van je eigen schuld, dan wel van je schuldenaar? Of dat je gevangene blijft van het verleden? Dat kan alleen als je ergens nieuw leven vindt en je vanuit dat nieuwe leven kunt spreken. Als het verleden inderdaad in die zin ‘dood’ kan worden en jij de opstanding beleeft. Opstanding dus niet alleen verstaan als het leven in het hiernamaals, maar vooral als het leven met God in dit leven. Leven met God dat je de kans geeft een ander leven op te bouwen en dan terug te zien op het oude leven. Dat is mogelijk. Maar dan moet er ergens verteld worden dat het oude voorbij is gegaan, dat de zee niet meer is (Openbaring 21,1). Dat de mens hier leeft met God in een ander leven als een voorafspiegeling van een leven ooit met God na dit leven. Dit verhaal van Thomas, onze tijdgenoot en tweeling, geeft aan dat Jezus midden in het leven kan komen te staan, terwijl de muren hoog zijn opgetrokken en deuren gesloten. En dat hij vrede kan aanreiken uit een ander leven. Opdat wij leven, lachen en juichen.

M.A. Smalbrugge: les-passerelles@planet.nl