AERDENHOUT, Zondag VI na Trinitatis, 15/7/2007. Tekst: Mattheus 16, 13-28

Vooraf: de preek vandaag is een reactie op de verklaring van de Rooms-katholieke Kerk, te weten de Congregatie voor de Geloofsleer (10/7/07), waarin gesteld wordt dat protestantse kerken geen ‘kerk’ in de eigenlijke zin des woords zijn, maar slechts ‘kerkelijke gemeenschappen’. De uitleg is daarom wat minder op de tekst zelf gericht.

Het verhaal van de belijdenis van Petrus is in de loop der eeuwen een lakmoesproef geworden: zeg me hoe je deze tekst leest en zal ik je vertellen of je protestant of katholiek bent. Dus stel dat je de nadruk legt op de aparte positie van Petrus en op het feit dat op hem alleen de kerk is gebouwd, dan ben je ongetwijfeld katholiek. Als je daarentegen de nadruk legt op de geloofsbelijdenis van Petrus en meent dat daarop nu juist de kerk gebouwd en dat aan de hele kerk de belofte is gegeven dat het dodenrijk haar niet zal overweldigen, dan ben je zondermeer protestant. Het is een fors verschil in interpretatie en dat verschil is dezer dagen door de RKK weer flink aangescherpt. De tekst is een splijtzwam geworden, een bezweringsformule waarmee je de ander kunt weren. Een geloofstekst die ééndimensionaal wordt ingezet: als je dit gelooft hoor je bij ons; zo niet, dan is daar de deur. Een tekst derhalve die ons confronteert met de grote en oude mechanismen van religie waarvan je zoudt hopen dat ze nu eindelijk verleden tijd zijn geworden: insluiten en uitsluiten, het uitspelen van heil tegen verdoemenis, het manipuleren van gehoorzaamheid tegenover ontvankelijkheid. Het is allemaal niet veel anders dan Gods woord beschouwen als het zwaard van de macht waarmee je je identiteit smeedt. Niet anders dan in de Islam. Waarom? Omdat de RKK meent dat de toekomst van het christendom ligt in een heldere identiteit. De tijd van de brave oecumene is voorbij en die tijd was een vergissing. Zij kwam neer op het zoeken naar de grootste gemene deler, het verlangen naar een poldermodel. Maar zo’n benadering stelt een wereldkerk nu eenmaal niet in staat op vitale wijze de moderne uitdagingen (protestantse evangelicalen als in Brazilië eenerzijds en de Islam anderzijds) te lijf te gaan. Eenwording door een gezamenlijke zoektocht is derhalve geen optie. De enige optie is slechts eenwording door terugkeer tot de H. Moederkerk.
   Wat stelt een protestantse Kerk daar tegenover? Want je bent gehouden er iets tegenover te stellen: als je zo omspringt met Gods woord als de RKK, doe je God en mens onrecht. Waarbij overigens aangetekend zij dat het goed is dat de RKK haar eigen positie helder maakt; dat voorkomt ijdele hoop en valse illusies.

Jezus heeft zich, vóór deze passage, geërgerd betoond over het onbegrip van de discipelen. Hij waarschuwde hen tegen het gist in het spirituele brood van de Farizeeën en meteen beginnen de discipelen over het feit dat ze het brood voor de lunch vergeten zijn. Zo ongeveer als wanneer je thuis zegt dat je blij bent dat je kinderen opbloeien en je vrouw dan opmerkt dat de tuin inderdaad prachtig in bloei staat. Jezus is zijn discipelen en hun domheid wat beu. Mensen zijn blijkbaar niet in staat om één laag verder te denken. Spreek over brood en ze zullen vragen ‘wil je wit of bruin?’. Ze vragen niet achter het brood ‘waar leef je bij’? Of ‘wat is het voedsel waarop je echt teert’?
   Maar als ze zo beperkt zijn, wat zien de mensen, wat zien de discipelen dan in hem? Hij legt het aan de discipelen voor: wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is? Het is het type vraag dat wij goed herkennen. We lezen met plezier horoscopen waarin staat wie wij zijn. Als kreeft (de mensen die in deze tijd van het jaar jarig zijn) ben je dan gevoelig, veilig achter je pantser, kwetsbaar en huiselijk. Waarmee het accent van je identiteit buiten je komt te liggen: je bent wat anderen zeggen dat jij bent. Dat doen we vaak. We kunnen nu eenmaal niet zonder de ogen van de ander die ons zowel bevestigen als bevragen. Niet alleen de narcist kan niet zonder die blik van de ander, maar ook het kleine baby’tje kan niet zonder de blik van zijn moeder. Die ‘andere’ ogen, dat zijn altijd ogen die ons vasthouden. D.w.z. ze bieden houvast, maar ze houden je ook vast. Dus die ogen van de ander geven aan dat je een gemeenschapsmens bent, dat je leeft met anderen en er blij mee bent. Maar je zult ook altijd zoeken naar vrijheid en willen vragen, ver van de ogen van de ander, ‘wie ben ik?’ Je zult weg willen breken van het ‘houvast’ van die ‘andere’ ogen.
   Als Jezus deze vraag stelt, dan wil hij zich blijkbaar binden aan de mensen, maar tegelijkertijd een innerlijke vrijheid te behouden of veroveren. De vrijheid die gaat over roeping en bestemming. Want die kunnen de mensen, de andere ogen, immers niet aanduiden; die moet je zelf zoeken, dat moet je zelf doen. Zo ver staan we als deze eerste vraag gesteld is. Wat is nu het antwoord? Ach, zeggen de discipelen, mensen beschouwen jou als een profeet. Iemand als Jeremia, Elia of Johannes de Doper. Versta: Jezus jij bent in zekere zin een marginaal mens: je hoort wel en niet bij ons. Er schuilt iets in je van God dat we niet kunnen plaatsen, dat ons volkomen vreemd is. Zoals de grootste werkelijkheden die je overkomen je volstrekt vreemd zijn: je kunt ze niet in hand krijgen. Je talent en beroep zijn wel elementen die je kiest, maar ze zijn je ook wezenlijk vreemd in de zin dat ze je dingen laten doen waarvan je nooit had gedacht dat je zou doen. Je talent kan je verrassen en zelfs je liefde is je wezenlijk vreemd. Zij is een andere werkelijkheid. Alles wat goddelijk is - of het nu geloof, liefde of talent is - is je wezenlijk vreemd. Het zet je op een ander spoor, het openbaart je iets dat wel en niet van jou is. Zo is Jezus. Hij is wel en niet van ons. Maar hij is dat op zodanige wijze dat we in elk geval niet de hand op hem kunnen leggen en hem ons eigen kunnen maken. We kunnen van Jezus niet zeggen dat hij de onze is, Jezus is niet van de kerk. Dat is het eerste.
   Waarop Jezus vervolgt met een tweede vraag: wie zeggen jullie dan dat ik ben? Let wel, dat is geen vraag die bedoeld is om de discipelen voor het blok te zetten, alsof zij nu het goede antwoord moeten geven. Nee, wat Jezus met die vraag beoogt, is zich nog meer aan zijn dierbaren te binden. Nogmaals, Jezus stelt geen examenvragen die bepalen of je erbij hoort; Hij bindt zich aan mensen door zijn vragen. Het antwoord van Petrus is dan: jij bent de Messias, de zoon van de levende God. Versta, de werkelijkheid die je ons aandraagt is ons zo tegengesteld; jij bent van God. Wat jij verstaat onder geloof, ruimte en liefde, is zo anders. Het is heel nabij én heel veraf. Je maakt gemeenschap, maar je gaat er niet in op. Je bevestigt en bevrijdt.

Als dat de kern is van Petrus’ antwoord, dan doet dat het antwoord op de vraag ‘wie zeggen de mensen dat de mensenzoon is?’ kantelen. Want, zegt Petrus, de mensenzoon is de zoon van God. Versta, elk mensenkind is een kind van God, draagt God in zich. Als je die gestalte niet ziet in een mens, dan heb je hem teruggebracht tot louter mens en heb je hem daarmee onrecht gedaan. Dat is het grote van Petrus: hij ziet dankzij Jezus in elk mensenkind een kind van God. Iets dat wel en niet kan. Wel kan omdat het in iedereen een aanwezig geschenk is, niet kan omdat God en mens zich niet gemakkelijk met elkaar verdragen. Niettemin, op deze wijze creëert Petrus gemeenschap en Jezus bevestigt dat: zolang je in mensen Gods kinderen blijft zien, zal die gemeenschap niet door dood overweldigd worden.
   En dan die vrijheid, wat gebeurt daarmee? Waar worden Jezus’ roeping en bestemming zichtbaar? Dat geschiedt in het vervolg als Jezus aankondigt dat hij moet lijden, sterven en weer verrijzen. Dan is voor Petrus de grens bereikt. Hij weet weliswaar dat je het goddelijke niet kunt inlijven, maar hij wil het wel. Dus zegt hij tegen Jezus dat dit niet de bedoeling is: Petrus heeft een andere bedoeling met Jezus. Hij moet vooral passen in onze werkelijkheid, onze mooie werkelijkheid dat elk mens ook God in zich draagt. Alsof alle geloof en liefde alleen maar geluk zouden betekenen. Nee, zij zijn soms passie. Dus liefde én lijden inéén en dat staat ons tegen. We houden er niet van. Wij spreken liever in positieve termen en daar past lijden en dood niet bij. Toch hoort dat bij Jezus’ roeping: zichzelf verliezen en daarna teruggevonden worden door God. Alsof hij zeggen wil: er moet een bereidheid zijn jezelf af te leggen en te laten vernieuwen. Dat is het eigene van God, dat hij in jou treedt, het oude afbreekt en er nieuw leven in zaait, zijn eigen gestalte.

Als Jezus zichzelf heeft prijsgegeven, dan kan de kerk niet zeggen dat de dood zal ons nooit overkomen. Wij zijn niet meer dan Jezus, wij leven van hem en de kerk is zijn lichaam. Nee, ook kerk leeft als graankorrel: als zij haar leven niet verliest, wint ze het ook niet. Een kerk, kan op grond van Jezus’ woorden, nooit claimen de ware te zijn, want wij kunnen op God geen beslag leggen.  
   Wat zal dus een protestantse kerk hedentendage verkondigen? Dat elk mensenkind een Godskind is, dat elk mens geroepen is tot gemeenschap én bevrijding. Dat er altijd spanning bestaat tussen die twee (gemeenschap en vrijheid) en dat kerk daarom geen claim kan leggen op de gelovige, op straffe diens vrijheid te beperken. Dat die vrijheid uiteindelijk de individuele ontmoeting met God is, het ontdekken van je bestemming en dat je daar soms jezelf voor moet prijsgeven. Je moet achter de letterlijke tekst zoeken, achter je letterlijke bestaan. Dat doe je in gemeenschap én in vrijheid. Dat is dus het alternatief anno 2007 voor een instituut à la Rome of een religie à la de Islam.

M.A. Smalbrugge: les-passerelles@planet.nl