AERDENHOUT, Zondag III na Trinitatis, 24/6/2007. Tekst: Johannes 1, 35-43

Afscheid kinderen van de kinderkerk
Johannes is zo’n vreemde man, die je het beste zou kunnen vergelijken met een reizend verteller over God. Hij trok rond in het gebied van de hoofdstad van Israël, Jeruzalem, en preekte daar, d.w.z. hij vertelde over God. Wat hij vertelde? Dat weten we niet precies. Maar wat we wel weten, is dat het geen opgewekt man was en dat de boodschap die hij had ook niet zo vrolijk was. Hij vertelde de mensen niet dat God van hen houdt, maar dat Hij streng op hen let of ze het wel goed doen. Want als ze het niet goed doen, dan krijgen straf van God en niet zo’n beetje ook. Het enige dat de mensen in feite konden doen, was toegeven dat ze slecht waren en zich daarom laten dopen. Maar dan moesten ze na die doop ook werkelijk beter leven: goed op letten, want God let ook heel streng op!
   Een heel streng man! Dan denk je natuurlijk dat daar niet veel mensen naar zullen komen luisteren, maar dat viel tegen. Hij was, ondanks die strengheid, heel populair en had leerlingen die dolgraag bij hem bleven. Mensen die daarom hun best deden om goed te leven en streng in God te geloven. Neemt niet weg dat Johannes, ondanks zijn strengheid, ook wist dat er iemand zou komen die veel beter over God zou kunnen vertellen dan hij. Dat zei dan ook ‘na mij komt iemand die het echt veel beter kan’.

Op een dag zag hij die man die hij verwachtte en van wie hij meende dat die het veel beter kon. Het was Jezus en Johannes zei van hem dat dit nu echt de lieveling van God was. De man van wie God dacht dat hij het best God kon vertolken. Waarop Johannes’ leerlingen zeiden ‘dan gaan we met die man praten’. Die leerlingen nemen dus een stap en gaan op weg. Ze laten iets los en zoeken iets anders. Wat? Dat weten we eigenlijk niet (alweer iets dat we niet weten). Ze gaan weg bij Joh en bedenken dat ze liever met Jezus willen optrekken. Niettemin, om er achter te komen of ze dat inderdaad willen, leggen ze Jezus een vraag voor? Of nee, Jezus vraagt hun eigenlijk wat: wat zoeken jullie?
   Een lastige vraag. De meeste mensen hebben het gevoel dat ze iets zoeken, maar ze weten niet wat. Als je zegt ‘zoek je geluk?’, dan zeggen ‘ik ben helemaal niet ongelukkig’. Als je zegt ‘zoek je vrienden of geld?’, dan zeggen ze ‘die heb ik’. Toch zoeken ze iets, maar helaas, ze weten niet wat. Het is als een soort heimwee. Het is alsof ze iets kwijt zijn en dus zoeken ze iets. Overigens, als je niets meer zoekt, dan is het ook niet goed. Dan ga je ergens in een huis wonen en dat noem je dan ‘goed gevonden’. Het liefst nog in een vreemde taal ‘bien trouvée’. Maar die leerlingen zoeken gelukkig nog wel iets. En omdat ze altijd naar Johannes’ verhalen over God hebben geluisterd, denk je dat iets meer nog van God zoeken. Dus dat ze zullen zeggen ‘vertel ons nog iets duidelijker over God’. Maar nee, ze vragen ‘waar woon je’? Hun zoeken heeft blijkbaar iets met een huis te maken. ‘Jezus, waar woon je, wat is jouw huis?’ Dat kun je ook vragen aan een kind dat nieuw is op school. Dan zal dat kind waarschijnlijk zeggen: mijn huis is daar! Ga je mee? Dat doet Jezus ook. Hij zegt: kom maar mee, dan zal ik het jullie laten zien. Ze gaan dus mee en zien waar hij woont. Spannend. Want dan houdt de tekst op en moeten we het zelf invullen.
   Want hoe zou het huis van Jezus geweest zijn? Een eenvoudig klein wit huisje, als overal in het Midden-Oosten? Of een huis als hier in Aerdenhout? Zou het een ruim huis zijn, zodat veel mensen er kunnen logeren? Met een grote keuken? Dus zou Jezus van koken en eten hebben gehouden? Of juist heel veel van boeken? Zou hij daar alleen hebben gewoond? Of was ie misschien wel gewoon getrouwd? Met kinderen? Hij was altijd aardig voor kinderen, dus misschien had hij ze zelf wel. Hoe ziet zijn huis eruit? Waar zou Jezus thuis geweest zijn?

Waar moet een huis eigenlijk sowieso aan voldoen? Er moeten ten eerste muren in zitten met een dak erop. Een dak houdt in dat je beschermd bent tegen de regen en de muren beschermen je tegen de wind. Beiden beschermen je tegen de kou. De muren en het dak houden het weer buiten, ze geven je een geborgen en veilig gevoel. Maar.. om echt veilig te zijn, moet je eigenlijk niet alleen zijn in een huis. Er moeten mensen wonen die van jou houden. Die mensen, die zijn eigenlijk het echte dak boven je hoofd. Zij zijn de echte muren. Je zou je dus ook kunnen afvragen ‘wie is nu het echte dak boven het hoofd van Jezus’? Je kunt zelfs nog meer vragen. Je hebt in een huis stoelen om op te zitten. Daar kun je op uitrusten en je kunt erop steunen. Dus op wie steun je nu eigenlijk? Is er een steun in huis? Wie kookt er? Wie houdt jou met het eten in leven, wie houdt er zo van je dat die jou in leven houdt? Dus een echt huis is een huis waarin je geborgen bent, waar je gesteund wordt en waar de liefde aanwezig is als heel lekker eten. Wat zoeken de mensen? Zo’n soort huis waarvan je voelt dat goed is daar te wonen.  
   Nu vond Jezus dat elk mens niet zonder andere mensen kan leven. Dat de mensen om je heen eigenlijk je huis zijn. Maar hij vond ook dat mensen niet altijd stevige muren zijn en een goed dak. Niet omdat ze niet stevig genoeg zijn, niet omdat ze dat niet willen, maar gewoon omdat ze elkaar niet altijd begrijpen. Mensen kunnen elkaar niet altijd bereiken. Je vertelt bijvoorbeeld een verhaal aan je moeder en je merkt dat ze het niet begrijpt. Ze zegt ze ook nog ‘ik begrijp ik helemaal niets van’. Dan raak jij boos en zegt ‘jij begrijpt ook helemaal niets’! Nee inderdaad, zo gaat het met mensen, die begrijpen elkaar niet altijd.   

Daarom zet je op een gegeven moment de stap naar een andere, een eigen wereld. Je gaat op weg. En zeg je ‘ik ga zelf wel iets zoeken’. Je wilt zelf een huis ‘tekenen’ ahw zelf een huis voor God maken. Dat deed Jezus ook: weg bij zijn vader en moeder en zelf ergens gaan wonen. Maar dan blijft wel het probleem dat mensen je niet altijd begrijpen, ook als je elders woont, als je op eigen benen staat. Wat doe je dan? Is je huis dan stevig genoeg, ben je ergens thuis? Daarom had Jezus weliswaar het gevoel dat mensen zijn huis waren, natuurlijk, maar dat God misschien nog wel meer zijn huis was. Want mensen vinden je een tijdje aardig, maar daarna niet meer. Ze kunnen zelfs gemeen tegen je doen. Net zoals wij met lammetjes doen: we roepen eerst dat ze zo aardig zijn en aaien hen; maar vervolgens slachten we ze. Daarom noemde Johannes Jezus het ‘lammetje van God’: de mensen vinden hem aardig, echt waar; maar er komt een moment dat ze hem dood zullen maken. Dus zei Jezus: God is mijn echte huis, dat zal ik je laten zien. Kom bij mij wonen, in God. Kijk, ddit is zijn huis.
   Dan zie je een groot huis met veel kamers. Een kamer bijvoorbeeld met een tafel met heerlijk eten en prachtige bloemen. Dat is God als vriendschap. Een kamer met één mooi schilderij van een zonsopgang van Jospeh Turner. Dat is God als hoop. Een lege lichte kamer met slechts één kaars. Dat is God als stilte. Een kamer met een haardvuur en een boek. Dat is God als verlangen. Een kamer met dansmuziek; God als plezier. Een kamer met alleen maar wat brood en wijn; God als verzoening. Dat liet hij zien aan die leerlingen. En die hoefden alleen maar erop uit te trekken, op weg te gaan, en in hun leven die kamers te ontdekken om thuis te raken in God en thuis te raken in mensen. Dat gaan jullie nu doen. Een eigen tocht ondernemen, op weg gaan. Af en toe zul je dan een mens tegenkomen die zegt ‘kom eens in mijn huis en kamers kijken’. Misschien kom je God dan wel tegen. Misschien voel je thuis bij Hem. Veel geluk op je tocht.

M.A. Smalbrugge: les-passerelles@planet.nl