AERDENHOUT, Pinksteren, 27/5/2007. Tekst:
Handelingen 2, 1-21
Begeestering,
bezieling en enthousiasme: dát zijn de parels in het snoer van goede eigenschappen dat
wij allemaal graag dragen. Want we vinden natuurlijk dat je met enthousiasme je werk moet
doen, dat je bezield met mensen moet omgaan en begeesterd moet denken over de toekomst.
Fraaie eigenschappen die als parels je leven glans geven. Dus als wij een verhaal horen
over mensen die letterlijk in vuur en vlam staan, dan begrijpen we dat direct. We zien de
parels schitteren die we zelf ook graag dragen en we spreken dus naar ons gevoel dezelfde
taal als in het verhaal wordt gebezigd. Het staat er in het Grieks, het gaat over
Hebreeuwse mannen, maar de Nederlander hoort hen in zijn eigen taal spreken: deze mannen
staan in vuur en vlam, zij houden een vlammend en vurig betoog en zij gaan door het vuur
voor hun ideaal en hoop. Dat is de ene kant.
De andere kant is dat wij ook de omstanders begrijpen die sceptisch staan
tegenover deze geëxalteerde lieden: ze zullen wel dronken zijn. Dat is niet zo heel erg
verschillend van onze reactie als iemand vol vuur pakweg een nieuw project voor de
wereldvrede presenteert. We kijken dan wat meewarig en vragen ons af of hij de weg kwijt
is? En als een charismatisch leider of volksmenner de mensen toespreekt, dan worden we
wantrouwig Want wanneer slaat bezieling om in fanatisme? Bezieling is mooi, maar kun je
het vuur de baas blijven?
Want bij begeestering verdwijnen op een gegeven moment goed en kwaad achter
de horizon van het enthousiasme. Je raakt meegesleurd in een ideaal, je denkt dat het goed
is, maar intussen heb je het zicht op goed en kwaad allang verloren. Het
dierenbevrijdingsfront heeft een ideaal maar bedreigt wel boeren, farmers en laboratoria.
Men breekt in, vernielt en gebruikt naar believen geweld. Het doel heiligt de middelen en
het vuur van het ideaal verschroeit de redelijkheid. Goed en kwaad verbranden in het vuur
van de Geest. Dus Pinksteren is een mooi feest, maar om welk ideaal gaat het eigenlijk?
Willen we echt dezelfde taal spreken, zoals de kerk dat eeuwen heeft afgedwongen in een
omgekeerd Pinksteren: dwang ipv geschenk?
Jezus is weken
geleden opgestaan, maar sinds 10 dagen definitief uit het zicht verdwenen. Wat er
overblijft is een groepje mensen die allemaal hun eigen idee over Jezus hebben. Je had
Petrus die vond dat je een sterke beweging moest bouwen, je had Johannes die meende dat
alles ging om innerlijke kennis, je had Jacobus die zei dat het alleen maar ging om een
hervorming van de Joodse traditie, je had Maria die geloofde dat Jezus de redding
was voor alle volken. Ze spraken dus volstrekt geen gemeenschappelijke taal en hadden
daarom een redelijke kans op conflicten. Díe
discipelen zijn niettemin de stichters van de kerk geworden! Maar ze hadden anderzijds ook
als de LPF kunnen eindigen. Wat is er dan gebeurd? Wat is eigenlijk een gemeenschappelijke
taal? Wat is taal sowieso?
Taal is voor ons een medium waarmee je de ander kunt bereiken. Je zegt bv: haal jij de boodschappen? En dan gebeurt dat. Taal
is zoveel als het snoer dat ons aan elkaar verbindt en we houden zozeer van dat snoer dat
we de stilte maar moeilijk meer verdragen. We babbelen door en het mobieltje dwingt ons
tot steeds verder praten. Dat is het eerste: de taal is een snoer waarmee we aan elkaar
gebonden zijn en we kunnen niet buiten dat snoer. Je hele leven zwijgen als een Trappist
(Cisterciënzer monnik), dat lijkt ons werkelijk een crime! Maar taal is ook meer. Taal is
ook het masker waarachter we ons verbergen. Hoe gaat
het met je? Oh, goed. Want we hebben geen zin te vertellen hoe het werkelijk gaat. De
ander is daar bovendien ook niet in geïnteresseerd. Had
je een leuke vergadering? Ja hoor, het was een rustig overleg. Want je hebt geen zin
te vertellen dat je een nederlaag hebt geleden en dat je voorstel aan flarden is
geschoten. Taal is ook het kleed waarmee we alles kunnen verhullen, waarmee we
schijnbewegingen kunnen opvoeren en de werkelijkheid kunnen plooien. Taal laat zien dat je
ziel niet veel meer dan boetseerklei is: de taal vormt haar zoals zij wil. Maar de taal
geeft daarmee ook aan dat we onze ziel nauwelijks kunnen
blootleggen. Wat je ervaart bij het lezen van een boek, bij het zien van zonsondergang,
bij het luisteren naar muziek, dat kunnen we maar zeer ten dele weergeven. Daar hebben
dichters en schrijvers nodig. En dan nog. We zeggen het heel eenvoudig: ik vind het zo mooi. Of: ik ben zo verdrietig. Maar de werkelijkheid van het
gevoel is daarmee hooguit aan de buitenkant beschreven. Taal is ook de diepe afstand tot
onszelf, de breuk die de mens ervaart als onvolmaakt wezen. Niet voor niets zeggen mensen
ik vaar op mijn gevoel; of t voelt goed. Dat terugschakelen naar
het gevoel achter de woorden, dat doen ze om eindelijk beetje met zichzelf samen te
vallen. Want elk woord is slechts een fragment van de waarheid. Een waarheid die meteen
zichtbaar kan zijn, maar die we nauwelijks meteen kunnen verwoorden. Je stapt een kamer
binnen, je ziet iemand en je weet binnen 2 of 3 seconden die ga ik aannemen,
liefhebben of haten. Waarna we die waarheid nog uren verstoppen achter een haag van
woorden. Taal is een brug naar onszelf, maar de pijlers worden slechts langzaam geheid. We
kunnen niet taal beleven zoals God die sprak. Het woord dat ineens werkelijkheid en
waarheid is: God sprak er zij licht en
er was licht en God zag dat het goed was. We raken ontroerd bij poëzie,
juist omdat er even iets doorschemert van een werkelijkheid die meestal uit het zicht
blijft. Want in poëtische woorden: wij willen groots en meeslepend leven en dan gaat het
niet om onrijpe romantiek, maar het voorbij raken van de breuk in het bestaan. Luistert u
even naar het beroemde gedicht van Marsman: De Grijsaard en de jongeling. Grootsch
en meeslepend wil ik leven! hoort ge dat, vader, moeder, wereld, knekelhuis! ga dan
vooral niet ver van huis/ en weer vooral ook het gespuis van vrouwen/ buiten uw hart, weer
het al uit uw kamer:/laat alles wat tot u komt/ onder groote en oorlogszuchtige namen/
buiten uw raam in den regen staan:/ het is slecht te vertrouwen en niets gedaan./ alleen
het geruisch/ van uw bloed en van uw hart het gehamer/ vervulle uw lichaam, verstaat ge,
uw leven, uw kluis./ zwicht nooit voor lippen:/samenzijn is een leugen en alle kussen
verraad;/ alleen een hart dat tegen eigen ribben slaat/ is een zuiver hart op een zuivere
maat./ zie naar mijzelf./ ik heb in mijn jeugd/ mijn leven verslingerd aan duizend dingen/
van felle en vurige namen, oproeren, liefdes/ en wat is het alles tezamen nu nog geweest?/
over hoeveel zal ik mij niet blijven schamen/ en hoeveel is er dat misschien nooit
geneest?/ de jongen kijkt door de geopende ramen / waarlangs de wereld slaat; zonder
zich te beraden/ stapt hij de deur uit, helder en zonder vrees.
Dat gedicht gaat
niet over romantiek en of over de tegenstelling jong/oud, maar over de hoop op enige
waarheid in het leven. Dus taal en hart van een mens moeten gelouterd worden, gesmeed tot
een andere werkelijkheid. Een werkelijkheid waarbij taal en waarheid voor één keer
samenvallen. Dát is het vuur van Pinksteren. Niet zomaar wat inspiratie uit de hemel,
maar een vuur dat neerdaalt, in je ziel slaat en die loutert als in een goddelijke smidse.
Zodat die ziel er als goud uit komt. Pinksteren is het verhaal van Gods eigen smidse waar
de mensen niet van buiten slechts verguld worden met begeestering, maar waar het goud van
de ziel naar boven wordt gehaald. En spreken mensen dan één taal? Is het dan zo dat we
allemaal dezelfde geloofstaal moeten spreken? Nee, want dan vangen we de ziel in de kooi
van de taal. Terwijl het juist gaat om dat ene moment dat woord en ziel samenvallen.
Maar
op het moment dat dat zo is, springt ahw ons zorgvuldige
opgebouwde werkelijkheid ook inderdaad uit elkaar. Dan kun je zeggen ik geloof in God en tegelijkertijd voelen: dat
woord God is veel meer dan ik kan zeggen. Je
kunt dan belijden ik geloof in Jezus Christus,
maar zijn werkelijkheid gaat mijn denkbeelden verre te boven. Zou ik weten of een hindoe
hetzelfde gelooft? Nee, want ik kan niet meer terug naar de taal als criterium en vragen
of hij mij na kan zeggen ik geloof in Jezus
Christus. Het enige dat ik nog kan, is voelen of er waarheid in zijn woorden
ligt besloten. Dus dan gaat het om komen uit een traditie en verder zien dan die traditie.
Maar deden discipelen dan iets anders? Nee, ze kwamen uit het jodendom én wilden verder
zien. Zo is het ook met de doop van een kind: we ervaren de waarheid als we zeggen ik doop u in de naam van Vader, Zoon en Heilige Geest.
Dwz we ervaren dat God zijn naam legt naast die van jou, zijn naam op je legt en in je
ziel legt. Maar God is groter dan woorden, zoals het geschenk van het leven groter is dan
woorden en we juist bij het kind nog een eenheid en waarheid ervaren die bij ons vaak
verloren is gegaan. Daarom is er Pinksteren: om de ziel weer op het aambeeld van de Geest
te leggen, het vuur in te voelen slaan en te zeggen: Godzijdank
M.A. Smalbrugge: les-passerelles@planet.nl |