AERDENHOUT, Zondag Jubilate, 29/4/2007. Tekst: Exodus 2, 1-10

Het verhaal van de kleine Mozes dobberend op Nijl in een rieten mandje, voldoet aan alle eisen die je aan een goed verhaal kunt stellen. Het is spannend, vertederend, met een mogelijk slechte afloop maar niettemin eindigend met een happy end. Hier en daar doen zich tragische momenten voor (bijvoorbeeld de moeder die haar kind moet prijsgeven aan het lot), zodat lezer zich terdege realiseert dat de goede afloop een hoge prijs kent en geen kwestie is van goedkope romantiek. Het verhaal reikt dan ook, juist vanwege die gelaagdheid, gemakkelijk parallellen aan naar de eigen tijd. Je kunt in de moeder die haar kind verbergt voor de Jodenhatende heerser gemakkelijk de Joodse onderduikkinderen uit de oorlogstijd herkennen. Maar je ziet in de angst voor een groep gastarbeiders/allochtonen die een veel hoger geboortecijfer hebben dan autochtonen en die bovendien een vreemd geloof er op na houden, ook zonder moeite onze enorme angst voor de ‘oprukkende buitenlanders’. Een sterk verhaal dus en juist daarom is de betekenis niet op het eerste gezicht duidelijk. Wat is de bedoeling, wat de inzet?

Ergens in een achterbuurt wordt een klein jongetje geboren dat meteen gedood had moeten worden. Kindermoord was in de Oudheid een geoorloofd middel tot geboortebeperking en een teken van het feit dat het leven van het begin tot het einde onze eigen, puur menselijke, keus is. Waar het vandaan komt en waar het naar toe gaat, dat bepalen wij en wij vinden dat leven in essentie een kwestie van biologie is: alles is selecteerbaar. Mensen als een bietenveld. Maar deze moeder denkt daar anders over en weigert haar kind uit te leveren. Ze verbergt het drie maanden totdat niet meer kan en legt het dan te vondeling. Ze doet het in een rieten mandje, zet dat op het water en bidt het behouden vaart toe. Zijn zusje volgt het drijvend wiegje op afstand en ziet dat het in een rietkraag terecht komt, waar een prinses aan het baden is. Het kind wordt natuurlijk gevonden en wanneer het bij de prinses wordt gebracht, ziet die meteen dat het een Joods kindje is en zegt dat ook. Overigens met veel liefde, zegt de tekst.
   Vanaf dat moment wordt het spannend. Als zij dát zegt (‘dit is een Hebreeuws kind’), bedoelt ze dat dan als een vonnis? Zo van ‘dood het maar’. Maar als ze het daarentegen niet wil doden, waarom zegt ze het dan? Ze had ook kunnen zeggen ’wat een schattig jochie; echt Egyptisch ‘. Het lot van het kind ligt in haar handen en iedereen houdt de adem in: wordt het dood of leven? En als het leven wordt, waarom heeft ze het dan zo uitdrukkelijk een ‘Hebreeuws kind’ genoemd? Misschien hier om. Eigenlijk zegt ze ‘dit kind komt niet bij ons vandaan’. In overdrachtelijke zin: je weet niet waar het leven vandaan komt’. Bovendien, door het kind ‘Hebreeuws’ te noemen, geef je ook aan dat het lot van dit mensenkind onzeker is: leven of dood? Dus haar vraag is: waar komt het leven vandaan en waar gaat het naar toe? Deze prinses is een buitenstaander, maar noemt de geloofstraditie om een antwoord te krijgen. Dat is bijzonder en zo zijn er meer vrouwen die prinsessen zijn en die juist als buitenstaander verwijzen naar een andere traditie dan de hunne. Waarna het zusje van de baby opduikt en voorstelt een Hebreeuwse vrouw als voedster te zoeken. De prinses doorziet natuurlijk die opzet: de moeder zal als min fungeren, dus de twee vrouwen staan tegenover elkaar, naast elkaar. Ze kijken elkaar aan en weten wat ze delen: zij zijn samen de moeder. En dan? Als je dit kind toevertrouwt aan de Hebreeuwse traditie, wat kom je dan te weten over de herkomst en bestemming van een mens?
   Dit. De prinses herkent en erkent het kind. En daar begint het leven echt mee. Alles draait in het leven om herkennen en erkennen. Wij streven allemaal naar erkenning en hopen dan dat de mensen zullen zien wat wij tot stand hebben gebracht. Dat je je werk zo goed doet, dat je je uitgesloofd hebt om anderen te behagen, dat je zo ontzettend trouw bent geweest. De dag na de lintjesregen weten wij weer hoe belangrijk erkenning is in ons leven. En als we onverhoeds geen erkenning ervaren, dan voelen we ons ongezien. Het eeuwige sociale spel is de vraag hoeveel erkenning wij in de wacht kunnen slepen? Wij zijn er aan verslaafd. Maar anderzijds, herkenning zonder erkenning is een leeg verlangen. Je wilt niet slechts maatschappelijke en psychische erkenning, maar je wilt vooral het gevoel van erkenning hebben. Versta het moment dat je beseft dat die ene ander, als een alter-ego, de eenzaamheid van het bestaan doorbreekt en je daarmee uitheft boven de wisselvalligheid van het bestaan. Dat die ander, door zijn herkenning van jou, je bevestigt en in zijn keuze voor jou de goedheid van het leven bevestigt. Er is bij herkenning sprake van een onverwachte genade, een licht dat je wezenlijk anders naar het leven laat kijken. Een licht dat je doet zien dat een deel van jezelf in de ander geborgen is en verborgen ligt. Noem die ander God of je geliefde en begrijp dat je je aan die ander moet overgeven om geboren te worden. Welnu, je  kunt vermoeden dat de prinses dat begrijpt, dat zij een deel van zichzelf herkent in de moeder, dat zij ziet dat beider rollen twee kanten zijn van éénzelfde medaille.
   Dus het leven stamt uit erkenning en herkenning. Maar waar gaat het naar toe? Dat is nog onduidelijk, want de prinses kan een doodsvonnis vellen of zij kan juist het leven sparen. Maar op het moment dat zij het kind uit het mandje neemt – dus uit de beklemming waarbinnen het maar moet afwachten wat zijn lot zal zijn - bevrijdt ze het kind en sluit daartoe een verbond met de moeder. Bevrijden, want in het leven is er altijd sprake van beklemming. Je merkt dat je mogelijkheden om geluk te maken beperkt zijn, dat de grootste zaken in het leven niet afdwingbaar zijn, te weten liefde, geluk en bestemming en dat je soms bevrijd moet worden. Het leven kan je inknellen als te nauwe kleren, je kunt het gevoel hebben dat je het allemaal redelijk voor elkaar hebt, maar dat je ahw dood gaat lang voor je dood. Dan moet er ergens een bevrijdende macht zijn die je opnieuw het leven schenkt, die de beknelling doorbreekt. Al was het maar door te vragen of je niet bekneld zit en of het leven niet een andere dimensie moet hebben? Door de censuur voorbij te stappen en de mens het geloof in zijn bestemming terug te geven. Want je  kunt in je werk bekneld zitten, in de liefde, in je eigen ontwikkeling. En je kunt daar ongezien sterk onder lijden. Wat zou leven zijn zonder hoop op bevrijding, zonder het gevoel dat je recht hebt op een bestemming?

Dat is wat deze twee vrouwen doen. Zij weten dat zij beiden hun eigen rol maar ten dele kunnen spelen. Er zitten breuklijnen in het leven. De moeder kan niet de moeder blijven en kan hooguit als adoptiefmoeder, als min, nog een rol spelen. Maar ook de prinses kan wel adopteren, maar   ook zij moet meteen het moederschap weer uit handen geven. Beiden herkennen die breuken als de vraag naar waar het leven vandaan komt en waar het naar toe gaat? En zij herkennen in elkaar stukken die ze niet op eigen houtje kunnen realiseren. Ze zien de rijkdom van het leven daarin, de verscheidenheid die breuken ook in zich kunnen bergen. Iets dat we maatschappelijk ook best mogen bedenken en beseffen, hoe lastig soms ook. Je kunt niet altijd moeder zijn. Nee, omdat je ook prinses moet zijn. Maar belangrijker, deze beide vrouwen begrijpen dat het gaat over de vraag waar het leven vandaan komt en waar het naar toe gaat. Het komt uit herkenning, daar wordt het geboren, en gaat naar bevrijding. Bevrijding zelfs van de laatste beklemming, de dood. Daar is deze prinses voorteken van, als een gestalte al van Pasen. Het dopen van een kind, is daarom het stellen in het teken van het vertrouwen dat dit de ware dynamiek van het leven is voor Gods aangezicht, erkenning en bevrijding.

M.A. Smalbrugge: les-passerelles@planet.nl